Omschrijving
De Grote Markthal (Nagyvásárcsarnok) is de grootste en oudste overdekte markt van Boedapest, een kathedraal van ijzer en glas aan het Fővámplein, waar de Váci utca eindigt en de Vrijheidsbrug de Donau oversteekt naar Buda. De Boedapesters doen hier hun boodschappen, en bezoekers komen net zo goed voor het gebouw als voor de paprika.
Van buiten valt eerst het dak van gekleurde Zsolnay-tegels op, gemaakt in Pécs, met patronen die schitteren op een zonnige dag. De toegangspoort heeft een neogotisch tintje, en binnen overspant een stalen constructie zo'n 10.000 vierkante meter kramen op drie verdiepingen.
De begane grond is de echte markt: groente en fruit, vlees, gebak, snoep, specerijen en sterkedrank. Hier zoek je de Hongaarse klassiekers om mee naar huis te nemen: paprika, flessen Tokajer, kolbász-worst en salami, en Túró Rudi, een kleine kwarkreep met een chocoladelaagje.
Boven loopt de mezzanine rond de hal, met eettentjes en souvenirkramen. Het souterrain is rustiger, met viskramen, ingelegde groenten en een paar gespecialiseerde slagers.
De hal was het grootste project van Károly Kamermayer, de eerste burgemeester van Boedapest. De stad sprak al sinds de jaren 1860 over overdekte markten, zodat in de snel groeiende hoofdstad alleen gekeurd voedsel werd verkocht.
De plannen sleepten zich tientallen jaren voort voordat architect Samu Pecz de hal bouwde. Kamermayer ging in 1896 met pensioen en kwam terug voor de openingsceremonie op 15 februari 1897.
De plek is niet toevallig gekozen: hier stond het oude zoutdepot, en daarom heet een van de zijstraten nog altijd Sóház, ‘zouthuis’. De staat stond de grond af aan de stad in ruil voor een ander perceel aan de Alkotmány utca.
De Tweede Wereldoorlog richtte zware schade aan, en daarna raakte de markt tientallen jaren langzaam in verval. In 1991 begon een grondige renovatie, en in 1997 ging de hal weer open met het gerestaureerde tegeldak; twee jaar later won ze de FIABCI Prix d'Excellence.
Van buiten valt eerst het dak van gekleurde Zsolnay-tegels op, gemaakt in Pécs, met patronen die schitteren op een zonnige dag. De toegangspoort heeft een neogotisch tintje, en binnen overspant een stalen constructie zo'n 10.000 vierkante meter kramen op drie verdiepingen.
De begane grond is de echte markt: groente en fruit, vlees, gebak, snoep, specerijen en sterkedrank. Hier zoek je de Hongaarse klassiekers om mee naar huis te nemen: paprika, flessen Tokajer, kolbász-worst en salami, en Túró Rudi, een kleine kwarkreep met een chocoladelaagje.
Boven loopt de mezzanine rond de hal, met eettentjes en souvenirkramen. Het souterrain is rustiger, met viskramen, ingelegde groenten en een paar gespecialiseerde slagers.
De hal was het grootste project van Károly Kamermayer, de eerste burgemeester van Boedapest. De stad sprak al sinds de jaren 1860 over overdekte markten, zodat in de snel groeiende hoofdstad alleen gekeurd voedsel werd verkocht.
De plannen sleepten zich tientallen jaren voort voordat architect Samu Pecz de hal bouwde. Kamermayer ging in 1896 met pensioen en kwam terug voor de openingsceremonie op 15 februari 1897.
De plek is niet toevallig gekozen: hier stond het oude zoutdepot, en daarom heet een van de zijstraten nog altijd Sóház, ‘zouthuis’. De staat stond de grond af aan de stad in ruil voor een ander perceel aan de Alkotmány utca.
De Tweede Wereldoorlog richtte zware schade aan, en daarna raakte de markt tientallen jaren langzaam in verval. In 1991 begon een grondige renovatie, en in 1997 ging de hal weer open met het gerestaureerde tegeldak; twee jaar later won ze de FIABCI Prix d'Excellence.